Triptiek van de Kouter deel 3

OOGLUIKEND

ALS EEN BLAD

Jij bent haar niet.  Jij heet haar niet.
Jouw naam valt niet als een blad.
Er krult geen kus om je mond.
Niemand freesde je vrees
in een boek op de hoek van het plein.

 

COLUMN

Voor Michiel Hendryckx

Hoe beziel je de lezer Michiel ? Zuig je als een nar
aan alle tepelhoven van het plein tot het pijn doet
of ben je eerst zelf van je melk
van dat schooivoetend schouwspel,
hoe meer munt zij slaat uit één schouder, opgetrokken
op kikvorstige knieën.  Zo groeit de stuwing, zo gist
de spruw al in de luwte van je letters. Zinkt haar laagmoed
al in de inkt van je stoute schoenen. Kolf je moeder
zonder kind op de kouter dan af naar je schrijvende hand.

HET PAARD

Voor Bart Van Aken

Hier vallen bladeren als vanouds
in de seizoenloze plooien van het plein.
Hier vallen Gentse azalea’s
dagelijks door wintervaste handen.
Hier vallen zomeroesters
‘s zondags door melkloze kelen in de wind.
Hier vallen avonden soms luid,
het is stil waar het nooit waait.
Hier vallen stiltes soms krullend
als een kus om de mond.
Hier krult sinds vannacht elk blad
gewond onder het gevallen water.

POSITIEF

En toch ben je haar in een flits,
in de sluitertijd van een luide lens,
ben je nog een meisje,
je wordt niet ouder,
hopend dat hij nog het geweer van schouder
verandert en op een dag, het witte tussenlicht
om de mond van zijn lieflijk negatief,
jouw knikkende knieën weer zoent
in de latoenkoperlippen van het plein.

STER

Ik ben de witte dwerg.
De lichte dwarrelaar van daarnet.
Die zich aan het raam heeft gezet.
Ik lees je nu oogluikend
op je laatste been naar de tram,
de glazen boterham,
die mij voor altijd op mijn honger
naast jou laat zitten.

© Steven Van de Putte

Foto © Hilda Careel