Van Monckhoven

VAN MONCKHOVEN (GENT, 1982)

Waar ik hier ’s morgens
mijmeringen
gelijk mandarijnen
pelde tot ik in het reine
kwam met mezelf.

Zo hermafrodiet
als de frieten in de refter,
hinkte ik hier ’s middags
op twee gedachten,
met dezelfde sputterende motoriek
waarmee ik veters leerde knopen,
en zodoende al te vroeg ontdekte
dat het onbehouwen
mijn handelsmerk kon zijn.

Hier waar ik ’s avonds
weer de stille
duif was van mijn vader
van mijn arkvader,
van alle bruiloftvinyl de schalkse ruiter,

die eenmaal op toerental de teugels van de taal
vierde als ultieme overacting,
toen hij schallend door de schoolhal,
de tekeningen hekelde
die in weinig omfloerste potloodtrekken
met schuimbekkende fabrieksschouwen
de contouren van een groene gedachte schetsten.

Hier. Op de valreep van het Citadelpark,
pretpark van gefnuikt geluk,
waar zoenende zonen-tongen
het requiem van morgen zongen,
lurkte ik aan mijn eerste
grootse dagen van vrijheid
en bedacht er Franse namen
voor een langverwachte zus.

Hier bouwden we hutten
in lange bomen van staal.
Hier lag het wrokkig metaal
al in zijn kiemen te blinken.
In het lettergekletter van kleuters
schuilt een Achillestent van taal.

Hier waar
mijn herinnering nog
slechts een tramhalte
is in de voetsporen
van het nu. Hier, hebt gij,
mijnheerke neen van het Sint-Annaplan,
de taal geassimileerd
als het geconfijte letterfruit
van uw liberale alfabet.

Hier waar
het voetpad breder
uitzwenkt dan vroeger,
denk ik bij verantwoord
speelgoed voor goed
aan politiek en aan 1982,
de premier
zijn ruiker onverbloemde combi’s;
het jaar waarop ik in de zandbak
van deze Gentse speelkoer
voor mijn onvoldragen discours
een breed publiek verwierf
en in deze Van Monckhoven begon te geloven
dat ik de Verhofstadt van de beloofde stad kon worden.

© Steven Van de Putte

Foto ©